Spring naar inhoud

Veelgestelde vragen

WarmtelinQ in het kort

WarmtelinQ is een ondergrondse hoofdtransportleiding voor heet water. De leiding wordt aangelegd om woningen en bedrijven in Zuid-Holland te verwarmen. De warmte is afkomstig van industrieën in de Rotterdamse haven. De leiding loopt van de Rotterdamse haven via Vlaardingen naar Den Haag. Begin 2022 is gestart met de aanleg van de leiding van Vlaardingen naar Den Haag.

In juli 2022 is ook het officiële startsein voor de aanleg van de ondergrondse warmteleiding van Rijswijk naar Leiden gegeven. Naar verwachting zal in de loop van 2025 de aanleg van de uitbreiding starten en kan medio 2027 de eerste warmte aan Leiden en omliggende gemeenten geleverd worden. De warmte kan ook in de kassen worden gebruikt. Daarom wordt onderzoek gedaan naar aftakkingen naar het Westland en Oostland.

Een warmtedistributienet is een verwarmingssysteem, waarbij gebouwen worden verwarmd via een ondergronds netwerk van warmwaterleidingen. Een warmtenet bestaat uit aanvoer- en retourleidingen die warm water van een of meerdere warmtebronnen naar een eindgebruiker brengen. Het water wordt in het net opgewarmd door een warmtebron, bijvoorbeeld aardwarmte of warmte die vrijkomt bij processen in de industrie en verder niet kan worden gebruikt door de industrie zelf (restwarmte). Deze restwarmte wordt anders door de industrie geloosd in een rivier (oppervlaktewater) of in de lucht.

Via het warmtenet kunnen huizen of bedrijven, zoals bijvoorbeeld kassen in de glastuinbouw, kantoren en winkels worden verwarmd. Warmtenetten zijn al lange tijd bekend en beproefd. De oudste warmtenetten in Nederland liggen sinds 1923 in Utrecht. In diverse landen, zoals bijvoorbeeld Zweden, Denemarken, Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk en de VS wordt al tientallen jaren hiervan gebruik gemaakt. Ook in Nederland bestaan al (kleinere) warmtenetten, in Zuid-Holland is dat bijvoorbeeld in Den Haag, Rotterdam, Leiden en de kassen in het Oost- en Westland. 

Zuid-Holland staat, net als de rest van Nederland, voor een flinke uitdaging: in 2050 moet de energievoorziening (nagenoeg) CO2-neutraal zijn. Om dat te bereiken is onder meer een andere warmtevoorziening voor woningen en bedrijven nodig. Die worden nu vooral verwarmd met aardgas, voor het grootste deel door individuele cv-ketels. Met een warmtenet is het mogelijk duurzame warmte te vervoeren en te gebruiken. 

Warmte is nodig voor de energietransitie in Zuid-Holland. Zuid-Holland werkt net als de rest van Nederland aan het (nagenoeg) CO2-vrij maken van de energievoorziening voor 2050. Dit betekent dat inwoners en bedrijven (waaronder de glastuinbouw) die nu vooral aardgas gebruiken, over moeten schakelen naar een andere duurzamere bron voor warmte. Omdat er in Zuid-Holland veel oudere hoogbouw is en dicht bij elkaar is gebouwd, is de overstap naar warmte via een warmtenet in veel gevallen relatief goedkoop en makkelijk. Warmte is in Zuid-Holland juist in grote hoeveelheden beschikbaar, vooral restwarmte uit Rotterdam. Ook is er veel geothermiepotentie in de regio en zijn er kleine, duurzame lokale bronnen beschikbaar.  

Zuid-Holland is erg geschikt voor een warmtenet. Er zijn veel gebieden met dichte, bestaande (hoog)bouw, er ligt al een aantal warmtenetten en er is veel regionale (rest)warmte beschikbaar, vooral in de haven van Rotterdam. Daardoor is een warmtenet in Zuid-Holland een aantrekkelijk en betaalbaar alternatief voor aardgas. Om dit regionale warmtenet te kunnen ontwikkelen heeft de provincie Zuid-Holland het concept van de zogenaamde ‘warmterotonde’ bedacht, een systeem van regionale warmtetransportleidingen waarmee de bestaande en nieuwe warmtenetten kunnen worden bevoorraad.

Dat is afhankelijk van de plannen die de gemeenten opstellen. Via WarmtelinQ Vlaardingen – Den Haag kunnen de gemeenten Vlaardingen, Schiedam, Midden-Delfland, Delft, Rijswijk en Den Haag van restwarmte worden voorzien. Via de leiding van Rijswijk naar Leiden kunnen de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Zoeterwoude, Leiderdorp, Voorschoten, Wassenaar, Katwijk, Oegstgeest en Leiden van warmte worden voorzien. Het gaat dan om warmte voor ongeveer 50.000 woningen. Bij enkele gemeenten langs het tracé worden zogenoemde T-stukken aangelegd waardoor gemeenten op termijn warmtedistributienetten kunnen aansluiten. Via een mogelijke aftakleiding bij Delft kan in de toekomst ook warmte beschikbaar komen voor de glastuinbouw in het Westland en Oostland. 

WarmtelinQ legt een hoofdtransportnet aan en levert geen warmte aan individuele woningen of (bedrijfs)panden. Dit hoofdtransportnet wordt aangesloten op lokale en regionale warmtenetten die weer warmte aan woningen en gebouwen leveren. De gemeente bepaalt welke buurten op een warmtenet worden aangesloten. Op de website van uw gemeente vindt u hier meer informatie over. Voor de gemeente Den Haag staat dit bijvoorbeeld in de transitievisie warmte (TVW). In de adreszoeker kunt u vinden wat voor uw buurt de beste oplossing is voor duurzaam verwarmen en water. Kijk daarvoor op: denhaag.nl/adreszoeker. Zodra andere gemeenten meer over aansluiting op het warmtenetwerk op hun website hebben geplaatst zullen we dat hier delen. 

Het tracé bestaat uit twee leidingen - een aanvoer- en een retourleiding – die parallel liggen. 
Het tracé voor Westland en voor Oostland moeten nog bepaald worden, dus hoe lang deze worden is nog niet bekend. 
Het tracé Vlaardingen Den Haag is ca. 23,4 km lang 
Het tracé Rijswijk-Leiden is ca. 25,6 km lang 
Het tracé Vlaardingen-Vondelingenplaat is ca. 6,5 km lang 

Op 8 november 2021 heeft Gasunie definitief besloten om het tracédeel van Vlaardingen naar Den Haag aan te leggen. In het voorjaar van 2022 zijn de werkzaamheden voor dit tracé begonnen. In juni 2022 is ook het startsein gegeven voor de aanleg van de uitbreiding van Rijswijk naar Leiden. Dit tracé zit nog in de participatie- en besluitvormingsfase. Lees hier meer over op de website van de provincie.

Voor de aanleg van de leiding zullen er bomen gekapt moeten worden. Daarover zijn afspraken gemaakt: gemeentes, de Bomenwacht en Gasunie kijken samen hoe er zo veel mogelijk bomen kunnen blijven staan. Waar dat niet kan, worden na afloop van de werkzaamheden nieuwe bomen en nieuw groen geplant. Als dat niet mogelijk is, worden die op een andere plek in de gemeente geplant.

Lees hier een interview met Arend de Wilde en Simon van der Burg die onderzoek deden naar de impact van de aanleg op flora en fauna.

Het pompstation heeft als doel om de warmte van de bron (ingang) naar het eindpunt (uitgang) te pompen. Dit zorgt ervoor dat het water in het gesloten systeem rondgepompt wordt en het systeem op druk blijft.

Die Q komt niet zomaar ergens vandaan. Het is de energetische term voor warmte en daarnaast is het een rondje met een aftakking, want dit transportnet krijgt meerdere afslagen. 

Een tracé is een afgebakend stuk weg of een plan, ontwerp van een weg. Bij WarmtelinQ is dat de afstand waar warmteleidingen worden aangelegd. Een ander woord voor tracé is ook wel route of traject. Bij WarmtelinQ kennen we er drie: tracé Vlaardingen – Den Haag (in aanleg), tracé Rijswijk – Leiden (in ontwikkeling) en tracé Vondelingenplaat – Vlaardingen (in ontwikkeling). 

Een T-stuk in een warmtetransportnetwerk is een onderdeel van de leidingen dat wordt gebruikt om de stroom van warmtedragers, zoals heet water of stoom, te splitsen of te combineren. Het wordt meestal gebruikt op punten waar de hoofdleiding (de aanvoer van warmte) zich opsplitst naar meerdere vertakkingen, zoals bij het aansluiten van een gebouw op het warmtenet. In een warmtetransportnetwerk, zoals een stadsverwarming, is een T-stuk nodig om de warmte vanaf de hoofdleiding naar verschillende gebouwen of woningen te brengen. Bijvoorbeeld, als er een vertakking nodig is om een straat of een wijk aan te sluiten, wordt een T-stuk in de leiding geplaatst om deze verbinding mogelijk te maken.

De diameter van een leiding is 70 centimeter en de isolatielaag is 10 centimeter dik.

Het water is 120 graden op de heenweg en 70 graden op de terugweg.

Bekijk alle 16 vragen in "WarmtelinQ in het kort"

De warmtebronnen

Op het moment dat WarmtelinQ in gebruik wordt genomen is er warmte beschikbaar uit onder andere afvalverwerking, bijvoorbeeld de AVR in Rotterdam. Daarnaast komt er een nieuwe voedingsleiding vanaf de Vondelingenplaat in het Rotterdams havengebied. Die warmte is afkomstig van recycling, raffinage en procesindustrie.

Ja. Warmte die afkomstig is van productieprocessen die draaien op fossiele brandstoffen geldt als duurzame warmte. Je hoeft dan immers geen aardgas meer te verstoken en dat draagt direct bij aan de reductie van CO2. De warmte zou anders geloosd worden in het water of de lucht, maar wordt nu dus nuttig ingezet.

Er zijn regionale én lokale (duurzame) warmtebronnen nodig om straks voldoende duurzame warmte te hebben. De regionale hoofdinfrastructuur en lokale bronnen helpen elkaar: door WarmtelinQ wordt het mogelijk om nieuwe gebieden aan te sluiten op een warmtenet. Een warmtenet is vervolgens weer een belangrijke voorwaarde om lokale bronnen te ontwikkelen. De gemeente Den Haag ziet bijvoorbeeld mogelijkheden voor geothermie. WarmtelinQ kan, tot die bronnen zijn ontwikkeld, nieuwe gebieden van warmte voorzien. Wanneer een geothermiebron eenmaal werkt, kan WarmtelinQ als back-up fungeren. Andersom zijn lokale bronnen nodig op momenten dat er veel vraag naar warmte is, als aanvulling op de warmte van WarmtelinQ.

De overheid ondersteunt verschillende duurzame bronnen financieel. Het Rijk heeft ook aangekondigd de SDE+-subsidie (Stimulering Duurzame Energieproductie) meer af te stemmen op de bijdrage die verschillende warmtetechnieken en warmtebronnen leveren aan CO2-reductie. Zo moeten duurzamere bronnen relatief aantrekkelijk worden.

Geothermie (aardwarmte) is nog in ontwikkeling. Er moet nog beoordeeld worden of deze vorm van warmte (o.a. technisch) geschikt is voor transport via WarmtelinQ. Maar elke natuurlijke of industriële warmtebron kan in principe door WarmtelinQ worden verwerkt, mits er niet te veel of te weinig van is en de maatschappelijke kosten acceptabel zijn.

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de industrie in 2050 (vrijwel) CO₂-neutraal moet zijn. Dat geldt ook voor bedrijven die restwarmte leveren. De industrie rondom de haven van Rotterdam zal dus ook een transitie doormaken en moeten overgaan op hernieuwbare energiebronnen. De (proces)industrie zal nieuwe manieren moeten vinden om duurzame warmte op te wekken voor hun eigen processen. Dit betekent dat industriële processen die nu aardgas als brandstof gebruiken, straks waarschijnlijk op bijvoorbeeld hernieuwbare waterstof of groene elektriciteit draaien. Zie hiervoor de Havenvisie Rotterdam op de website van Port of Rotterdam. Ook na deze transitie is restwarmte uit de Rotterdamse haven een product dat blijft, ookal is de haven overgeschakeld op duurzame energie. Ook in een nieuw energiesysteem komt bij duurzame productieprocessen warmte vrij, die gebruikt kan worden in warmtenetten.

Er blijft in de haven voldoende warmte beschikbaar. In het klimaatakkoord en in het EU-programma Fit for 55 is afgesproken dat ook de industrie voor 2030 de CO₂-uitstoot sterk moet reduceren en verduurzamen en in 2050 CO₂- neutraal moet zijn. Ook in een nieuw energiesysteem komt bij duurzame productieprocessen warmte vrij, die gebruikt kan worden in warmtenetten. Hierdoor zijn warmtenetten toekomstbestendig.

Bekijk alle 7 vragen in "De warmtebronnen"

Duurzame warmte

Ja. De leiding van Vlaardingen naar Den Haag betekent een stap in de goede richting. Door de aanleg van WarmtelinQ is er geen gas meer nodig voor de verwarming van woningen. De woningen worden dan verwarmd met warmte die nu niet gebruikt kan worden. Hierdoor wordt gas bespaard en CO2-uitstoot vermeden. De Warmtealliantie Zuid-Holland, waarin verschillende organisaties samenwerken aan duurzame warmte voor Zuid-Holland, heeft uitgezocht dat een volledig regionaal warmtenetwerk zo’n 500.000 huishoudens en kassen in Zuid-Holland van warmte kan voorzien. WarmtelinQ maakt dan onderdeel uit van dat grotere warmtenet.

De warmte voor WarmtelinQ zal voornamelijk bestaan uit restwarmte van industrieën in de Rotterdamse haven. Het gaat om warmte die vrijkomt bij industriële processen en nu ongebruikt wordt geloosd. Door gebruik te maken van deze restwarmte, sparen we CO2 uit die nu in de Haagse energiecentrale en door individuele cv-ketels wordt uitgestoten. Op termijn kunnen er ook andere bronnen worden aangesloten, bijvoorbeeld aardwarmte en lokale geothermie.

De industriële processen waarbij warmte vrijkomt, draaien nu vaak nog op fossiele energie, zoals aardgas. Het Havenbedrijf Rotterdam, verschillende bedrijven en brancheorganisaties van industriële partijen hebben plannen gemaakt om die processen te vergroenen. Die plannen liggen onder meer vast in het Klimaatakkoord. Bepaalde processen worden wellicht helemaal vervangen door andere processen: in plaats van afvalverbranding komt er bijvoorbeeld wellicht meer recycling. Ook bij dat soort processen komt warmte vrij die kan worden ingezet. Zo verduurzaamt ook de geleverde restwarmte voortdurend.

Kolencentrales worden op termijn gesloten. Per 1 januari 2030 is het verboden om met kolen elektriciteit op te wekken. Ze worden daarom niet aangesloten op WarmtelinQ.

Binnen het EU Emissions Trading System (ETS) kunnen ETS-installaties ‘gratis rechten’ ontvangen voor het leveren van warmte naar installaties die niet onder het EU ETS vallen. Hieronder valt ook de levering van warmte voor stadsverwarming. Dit betekent echter niet dat bedrijven de prikkel wordt ontnomen om fossiele processen te verduurzamen. Het aantal rechten neemt namelijk periodiek af waardoor bedrijven worden gestimuleerd om te blijven investeren in de reductie van hun CO2-uitstoot.  Voor grote industriële bedrijven die onder het EU ETS vallen is de nationale CO2-heffing van kracht. Die geldt ook bij de levering van industriële restwarmte. Hierdoor worden bedrijven geprikkeld om te investeren in CO2-reducerende maatregelen.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de industrie in 2050 (vrijwel) CO2-neutraal moet zijn. Dat geldt ook voor bedrijven die restwarmte leveren. De industrie rondom de haven van Rotterdam zal dus ook een transitie doormaken en moeten overgaan op hernieuwbare energiebronnen. Het is dus niet zo dat restwarmtelevering door dergelijke bedrijven een vervuilende industrie langer in stand houdt of leidt tot een ongewenste lock-in.

Door zoveel mogelijk beschikbare restwarmte slim te benutten kunnen we nu al gebruikmaken van energie die anders zou worden verspild. Ook bij de productie van groene waterstof in de Rotterdamse haven zal een aanzienlijke hoeveelheid warmte beschikbaar komen die kan worden gebruikt voor de duurzame verwarming van de gebouwde omgeving. Om de doelstelling op termijn te halen, zijn alle duurzame warmtebronnen nodig: de inzet van restwarmte (uit Rotterdamse haven) zit andere duurzame bronnen niet in de weg. De Europese richtlijn (RED: renewable energy directive) ziet restwarmte (daar aangeduid als afvalwarmte) ook als een warmtebron voor duurzame warmtenetten. In artikel 23 is een specifiek nationale doelstelling van 1,1% restwarmte benutting vastgesteld.  

In de huidige versie van het wetsvoorstel Wet collectieve warmtevoorziening is een jaarlijkse CO2-norm opgenomen voor warmtebedrijven: voor 2030 is die maximaal 25 kilogram CO2 per gigajoule geleverde warmte. De ACM controleert dat. Ook restwarmte zoals gedefinieerd in het wetsvoorstel kan worden ingezet om deze CO2-norm te halen. Het is daarbij van belang dat het gaat om warmte als ‘onvermijdelijk bijproduct’ in de bedrijfsvoering van een onderneming, die zonder verbinding met een warmtenet ongebruikt terecht zou komen in lucht of water. Als er extra brandstof gebruikt wordt met als doel warmte voor het warmtenet op te wekken, geldt dat het niet als restwarmte zoals bedoeld in het wetsvoorstel. 

Bekijk alle 6 vragen in "Duurzame warmte"

Capaciteit en temperatuur

Het totale vermogen van het hoofdtransportnet WarmtelinQ wordt 250 MWth. Dat staat ongeveer gelijk aan de warmte voor 120.000 huishoudens. Vooralsnog is hiervan 100 MWth aan capaciteit voor Rijswijk naar Leiden. Het gaat dan om warmte voor ongeveer 50.000 woningen. Als dit niet gecontracteerd of gebruikt wordt, blijft er meer capaciteit over voor Vlaardingen naar Den Haag.

De maximale ontwerptemperatuur van de aanvoerleiding is 130 °C. Onder normale winterse omstandigheden ligt de temperatuur rond de 110-120 °C. Er wordt warmte aan het water onttrokken voor verwarming van woningen. De retourleiding bevat hierdoor water dat ongeveer 50 °C koeler is dan de aanvoerleiding.

De maximale afstand waarover je warmte kunt transporteren zonder te veel verlies, hangt van een aantal zaken af: de warmtevraag, de benodigde pompenergie, het temperatuurverschil en de materiaalkeuze. Door goede isolatie, stroomsnelheid, een passend temperatuurregime en de diameter van de leiding, kan het temperatuurverlies worden beperkt tot grofweg 0,5 graden per 10 km. Het warmteverlies over de WLQ leiding bij volle belasting is ongeveer 3,5 à 4% op jaarbasis. In de warmtedistributienetten in de wijken ligt dit percentage hoger.

Bekijk alle 3 vragen in "Capaciteit en temperatuur"

Wie doet wat?

Gasunie wordt beheerder en operator van het onafhankelijke en open hoofdtranstransportnet WarmtelinQ. Met dat open hoofdtransportnet kunnen marktpartijen (zoals bijvoorbeeld Eneco en NetVerder) warmte vanaf de industrieën in de Rotterdamse haven naar gebruikers in Zuid-Holland brengen.

Gasunie wordt eigenaar van het hoofdtransportnet. Misschien worden andere partijen in de toekomst mede-eigenaar, zoals Havenbedrijf Rotterdam voor de leiding in het havengebied, maar Gasunie blijft zelf meerderheidsaandeelhouder. Het ministerie van EZK wil graag dat het transport van warmte in publieke handen blijft, zeker als het grote transportnetten betreft.

In Vlaardingen sluit de leiding van WarmtelinQ aan op de Leiding over Noord (van Eneco). Daarnaast gaat Eneco WarmtelinQ gebruiken om restwarmte naar haar klanten te brengen. Andere warmteleveranciers kunnen dat in de toekomst ook gaan doen.

De provincie Zuid-Holland zet zich in voor de energietransitie in Zuid-Holland. De provincie helpt gemeenten in Zuid-Holland onder andere bij het maken van plannen voor de warmtevoorziening. Omdat de plannen voor WarmtelinQ aansluiten bij het oorspronkelijke concept van de zogenaamde ‘warmtenet Zuid-Holland’ hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland in december 2019 besloten om voor het deeltracé Vlaardingen – Den Haag een Provinciaal Inpassingsplan (PIP) op te stellen en tevens het vergunningenproces van dit deel te coördineren. Zie ook de veelgestelde vragen over PIP en vergunningen of kijk hier op de website van de provincie Zuid-Holland. 
Ook in het voorgenomen traject van Rijswijk naar Leiden speelt de provincie Zuid-Holland een belangrijke rol. Wat de provincie precies doet,  leest u hier op de website van de provincie.

Gemeenten voeren de regie over de warmtetransitie en leggen in hun Transitievisie Warmte vast welke energiebronnen ze willen gaan gebruiken voor de verschillende wijken en buurten binnen de gemeente. Als ze kiezen voor restwarmte als één van de oplossingen, kunnen zij verzoeken om een aansluiting op de hooftransportleiding. In de wijken waarvoor bepaald is dat restwarmte een goede oplossing is, moet onder regie van de gemeente een distributienet worden aangelegd. Daarna kan dit distributienet aangesloten worden op het hoofdtransportnet van WarmtelinQ. Gemeenten hebben verschillende redenen om te kiezen voor restwarmte. Bekijk hier de overwegingen van Delft (wethouder Stephan Brandligt), Midden-Delfland (wethouder Sonja Smit), Rijswijk (wethouder Jeffrey Keus) en Vlaardingen (wethouder Jules Bijl).

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) werkt aan een CO2-neutrale warmtevoorziening in 2050, die betaalbaar, betrouwbaar en duurzaam is. Het ministerie heeft Gasunie als onafhankelijk beheerder van WarmtelinQ aangewezen. Daarmee draagt de overheid financieel bij aan het project, want Gasunie is een overheidsbedrijf.

De overheid vindt het maatschappelijk belang van een duurzame warmtevoorziening groot en wil daar ook in investeren. Het oorspronkelijke plan van Eneco was kleinschaliger en daardoor financieel haalbaar voor één marktpartij. Door de samenwerking tussen Eneco, EZK, Gasunie en Havenbedrijf Rotterdam kan het project nu grootschaliger (en daardoor kosteneffiënter) worden aangepakt. Daarmee ontstaat een open netwerk, marktwerking en vallen de uiteindelijke kosten voor de consument lager uit.

Het is te vroeg om daar nu al iets over te zeggen. De stappen die het ministerie voor WarmtelinQ heeft gezet zijn uitzonderlijk, maar dat is WarmtelinQ zelf ook. Dit project was al gestart, het is een groot en belangrijk project en er is nog veel ruimte om warmte te vervoeren via WarmtelinQ. Er is grote behoefte aan CO2-armere warmte. Maar bij andere bestaande warmteprojecten kunnen de omstandigheden weer heel anders zijn.

De taken van Gasunie worden vastgelegd in de Warmtewet 2.0. Dat betekent onder meer dat er regels komen voor de voorwaarden en tarieven. Gasunie moet zich daaraan houden. Het toezicht hierop komt waarschijnlijk terecht bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM).

Voor de aanleg van WarmtelinQ worden alle benodigde vergunningen aangevraagd. Sommige daarvan moeten door de gemeente worden verleend, andere door de provincie Zuid-Holland. Het is op verschillende momenten mogelijk om te reageren op de plannen. Lees hier meer over op de website van de provincie.

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) heeft Gasunie aangewezen om WarmtelinQ aan te leggen. EZK draagt ook financieel bij aan het project.
Gasunie wordt onafhankelijk transportnetbeheerder van WarmtelinQ. Dat betekent dat Gasunie de leiding onder uniforme voorwaarden ter beschikking stelt aan alle partijen die warmte willen invoeren, aftappen of transporteren. WarmtelinQ is nadrukkelijk een open net, maar er gelden wel (bijvoorbeeld technische) voorwaarden. Gasunie moet daar ook open en transparant over zijn.
Met Eneco is een warmtetransportovereenkomst gesloten. Eneco wordt de eerste gebruiker van WarmtelinQ en gaat de hoofdtransportleiding gebruiken om de huizen die in Den Haag zijn aangesloten op het bestaande warmtenet te voorzien van warmte.
De provincie heeft inmiddels het Provinciale InpassingsPlan (PIP) vastgesteld. Ook zijn de vergunningen voor de aanleg van de leiding van Vlaardingen naar Den Haag afgegeven. Gasunie heeft eind 2021 de definitieve investeringsbeslissing genomen en is gestart met de aanleg van de leiding van Vlaardingen naar Den Haag.
Het ministerie van EZK  neemt in de Warmtewet 2.0 regels op voor de taken die Gasunie gaat uitvoeren voor WarmtelinQ.

Dat zijn de energieleveranciers die de warmtelevering verzorgen. Maar ook de partijen die restwarmte aanbieden. De warmte die via WarmtelinQ wordt getransporteerd, wordt vervolgens via fijnmaziger warmtedistributienetten naar huishoudens en bedrijven gebracht. De energieleveranciers kunnen warmte inzetten die uit WarmtelinQ komt, maar ook (bijvoorbeeld) lokale bronnen.

Op dit moment richt Gasunie zich in Zuid-Holland volledig op WarmtelinQ. Als er mogelijkheden zijn voor nieuwe projecten/hoofdtransportnetten die vragen om onafhankelijk en open netbeheer, zal Gasunie die zeker nader onderzoeken.

Bekijk alle 13 vragen in "Wie doet wat?"

PIP en vergunningen

Het tracé WarmtelinQ Vlaardingen–Den Haag is meer dan 23 kilometer lang  en loopt door zes gemeenten. Daarom is het efficiënter om de aanleg en de bescherming van de leiding te regelen in één Provinciaal InpassingsPlan (PIP) dan in zes aparte bestemmingsplannen (per gemeente). Dit maakt de procedure voor iedereen overzichtelijker en verkleint het risico op (procedure-)fouten. De zes gemeenten en het hoogheemraadschap worden inhoudelijk nauw betrokken bij de totstandkoming en vaststelling van het PIP. Voor het doortrekken van de leiding naar Leiden zal om dezelfde reden ook een Provinciaal InpassingsPlan worden opgesteld.

In het PIP wordt het definitieve tracé van de leidingen vastgelegd op een (digitale) kaart zodat de leidingen daarna kunnen worden aangelegd. In de toelichting van het PIP en in de begeleidende onderzoeken zal worden beschreven welke gevolgen het project heeft voor het milieu, de veiligheid en de natuur. Daarnaast zullen in het PIP regels worden opgenomen voor bepaalde activiteiten op de percelen vlakbij de leidingen, bijvoorbeeld het planten van diepwortelende beplanting of slaan van heipalen. Deze regels hebben ten doel te voorkomen dat de ondergrondse leidingen als gevolg van deze activiteiten beschadigd raken en er risico’s ontstaan.

Voor de realisatie van WarmtelinQ zijn vele tientallen verschillende vergunningen en ontheffingen nodig van onder andere de gemeenten, het hoogheemraadschap en de provincie. Deze bestuursorganen zijn het bevoegde gezag en zijn verantwoordelijk voor de besluiten op de ingediende aanvragen. Om dit ingewikkelde proces in goede banen te leiden, hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland in december 2019 besloten om voor WarmtelinQ Vlaardingen–Den Haag de provinciale coördinatieregeling toe te passen.

De Provinciale Coördinatieregeling is een regeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die provincies kunnen toepassen voor projecten die een provinciaal belang dienen en waarbij veel verschillende partijen betrokken zijn. Door het toepassen van de coördinatieregeling, worden de procedure voor de belangrijkste vergunningen en ontheffingen (en het PIP) ‘gecoördineerd’, dat wil zeggen: op elkaar afgestemd. Dat betekent dat deze zoveel mogelijk gelijktijdig worden voorbereid en bekendgemaakt en dat ook eventuele beroepsprocedures gelijk oplopen. Hierdoor wordt de procedure voor iedereen overzichtelijker en dat verkleint het risico op (procedure-)fouten. Overigens blijven de oorspronkelijke bevoegde gezagen verantwoordelijk voor de beoordeling van vergunningaanvragen. De provincie coördineert alleen de procedure. Het is verder niet verplicht om voor alle vergunningen de PCR toe te passen. Het kan dus voorkomen dat een specifieke vergunningaanvraag buiten de coördinatie wordt gehouden.

Op vergunningen die worden verleend via de PCR is altijd de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dat betekent dat na het indienen van de aanvraag en de eerste beoordeling daarvan door het bevoegd gezag een conceptbesluit wordt opgesteld. Dit conceptbesluit wordt (vanwege de PCR samen met het ontwerp-PIP en andere ontwerpbesluiten) gedurende zes weken ter inzage gelegd. In die periode kunnen er door iedereen reacties worden ingediend (die zienswijzen worden genoemd). De ontvangen zienswijzen worden door het bevoegd gezag betrokken bij de definitieve besluitvorming op de vergunningaanvraag. Zodra de definitieve besluiten zijn genomen, kunnen belanghebbenden die het daar niet mee eens zijn, gedurende zes weken in beroep gaan tegen het vastgestelde PIP en de verleende vergunningen. De rechter zal deze beroepen inhoudelijk beoordelen.

Meer informatie staat op de website van de provincie Zuid-Holland.

Bekijk alle 5 vragen in "PIP en vergunningen"

Kosten en risico's

De aanleg van zo’n grootschalige hoofdtransportleiding is een kostbare zaak. Daarom wordt er zorgvuldig doorgerekend of het project haalbaar is. De eerste conclusies luiden dat dat zo is, maar voor een commercieel bedrijf is de investering te groot en te risicovol. Daarom wordt de leiding aangelegd door de overheid. Gasunie heeft daarvoor de opdracht gekregen van het ministerie van EZK. Het ministerie stopt € 90 miljoen in WarmtelinQ. Een deel van de kosten wordt verdeeld onder de warmtebedrijven die warmte gaan afnemen. Zij betalen een vergoeding aan Gasunie, de transportkosten. Klanten van de warmtebedrijven (huishoudens en bedrijven) betalen straks voor de warmte, net als nu voor gas. In de nieuwe warmtewet wordt vastgelegd wat die warmte maximaal mag kosten, zodat de nieuwe energie voor consumenten niet te duur wordt.

De totale kosten van WarmtelinQ zijn hoger uitgevallen dan eerder begroot. Een deel van deze meerkosten wordt gesubsidieerd door het ministerie van EZK en de provincie Zuid-Holland. In het najaar verwachten we meer duidelijkheid te hebben over hoe het werk gefinancierd wordt. Zodra we uitsluitsel hebben over de financiering, brengen we de uitkomsten naar buiten. 

We zitten momenteel in een formeel traject om de cijfers en de bedragen vast te stellen. In dat traject hebben we nog een aantal stappen te zetten. Sinds de start van WarmtelinQ kregen we onder andere te maken met corona en de oorlog in Oekraïne, die voor een onverwachte stijging van de kosten hebben gezorgd. Bovendien hebben we meer kosten moeten maken omdat onder meer materialen en arbeid snel duurder zijn geworden. De kosten zijn nu (en worden periodiek) bijgesteld naar het actuele prijspeil, waarbij we rekening houden met de inflatie. 

Grootschalig warmtetransport is een nieuwe ontwikkeling. Er wordt nog gewerkt aan een nieuwe Warmtewet. Daarin komen investeringen en tarieven ook aan de orde. Het ministerie van EZK zal hierover te zijner tijd verder informeren.

De kosten van inkoop en transport van warmte via WarmtelinQ zijn nog niet bekend. De inschatting is dat regionale warmte (inclusief transport) nog steeds leidt tot een rendabel, kostenefficiënt en maatschappelijk wenselijk project. De warmte die leveranciers straks via WarmtelinQ bieden, is naar verwachting - als je kijkt naar de kosten per eenheid CO2-reductie - concurrerend met andere warmteoplossingen voor verduurzaming. 
In Zuid-Holland is veel bestaande (hoge) bebouwing, er liggen her en der al warmtenetten en er zijn veel (rest)warmtebronnen in de buurt beschikbaar. Dat maakt dat stadswarmte in deze regio kostenefficiënt is ten opzichte van de alternatieven. Verregaande isolatie in combinatie met de aanleg van vloerverwarming en een warmtepomp is bijvoorbeeld duurder. Maatschappelijk gezien beperkt WarmtelinQ dus de kosten die voor de warmtetransitie moeten worden gemaakt.

De kosten voor WarmtelinQ spelen alleen indirect een rol in de rekening voor stadswarmte. Een deel van de aanlegkosten mag worden doorberekend aan afnemers zoals Eneco. Het tarief dat eindgebruikers van stadswarmte uiteindelijk betalen is aan een wettelijk maximum gebonden. Dat maximum is gebaseerd op de kosten die een gemiddeld huishouden dat gas gebruikt betaalt: het zogenoemde ‘Niet-Meer-Dan-Anders-principe’. Dit beschermt de klant tegen te hoge tarieven. De warmteleverancier moet van die inkomsten alle kosten dekken, inclusief eventueel transport van regionale (rest)warmte. Deze tarieven staan onder toezicht van ACM. ACM onderzoekt via de periodieke rendementsmonitor of de rendementen die de warmtebedrijven maken redelijk zijn. Het ministerie van EZK is van plan om ook regels op te stellen voor de transporttarieven op WarmtelinQ.

Gasunie sluit contracten af met partijen die gebruik willen maken van WarmtelinQ. Die partijen betalen daar transportkosten voor. De kosten van de aanleg zullen zoveel mogelijk gedekt worden door de gebruikers van WarmtelinQ, de energieleveranciers. Het is een groot en duur project, maar de verwachting is dat een grootschalige hoofdtransportleiding als WarmtelinQ de meest kostenefficiënte oplossing is voor de levering van warmte. Het ministerie en de ACM controleren of Gasunie het project wel kostenefficiënt uitvoert.

Niet meer dan aan andere projecten waarbij leidingen in de grond worden ingebracht. Gasunie heeft hier veel ervaring mee.

Nee. De hoofdtransportleiding bestaat uit buizen die heel goed geïsoleerd zijn. De leiding is uitgerust met een lekdetectiesysteem. Als er een lekkage ontstaat, is dat dus direct bekend en kan die gedicht worden.

Gasunie heeft zorgvuldig onderzocht hoe groot de vraag naar restwarmte is. Mogelijke klanten zijn de tuinbouwsector in het Westland, gemeenten en woningbouwcorporaties in de regio.

Er zijn diverse studies die aantonen dat warmtenetten nuttig en noodzakelijk zijn. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) concludeert in het rapport ‘Toekomstbeeld klimaatneutrale warmtenetten in Nederland’ (maart 2017) dat Nederland met warmtenetten grote stappen kan zetten in de transitie naar een klimaatneutraal energiesysteem.
Warmtenetten kunnen volgens het PBL ongeveer de helft van de benodigde warmte in Nederland  leveren. Verder zegt het PBL dat warmtenetten in dichtbebouwde gebieden de goedkoopste klimaatneutrale techniek zijn. Die conclusie werd in 2015 ook getrokken door CE Delft in het rapport ‘Op weg naar een klimaatneutrale gebouwde omgeving 2050’. CE concludeert dat vooral in jongere, stedelijke gebieden de inzet van industriële restwarmte of geothermie financieel de aantrekkelijkste optie is.

In februari 2017 keek CE Delft ook naar scenario’s voor de warmtetransitie in Den Haag. Den Haag wil in 2040 een klimaatneutrale warmtevoorziening hebben. Het onderzoeksbureau stelde toen vast dat restwarmte uit Rotterdam een goedkopere oplossing is dan alles lokaal in Den Haag oplossen. Daarmee ondersteunt CE Delft ook het concept van een hoofdinfrastructuur in Zuid-Holland. In het Klimaatakkoord staan ook doelen voor warmtenetten: in 2030 moeten 750.000 woningen en bedrijven in Nederland aangesloten zijn op een warmtenet.

Er wordt momenteel gewerkt aan een nieuwe Warmtewet, waarin regels staan voor collectieve warmtesystemen. Er kunnen dus nog dingen veranderen die mogelijk gevolgen hebben voor de kosten. Lees hier de brief van de minister aan de Tweede Kamer.

Bekijk alle 12 vragen in "Kosten en risico's"

Andere warmteprojecten

Gasunie is niet betrokken bij Leiding over Oost. De opdracht van EZK aan Gasunie gaat alleen over WarmtelinQ en WarmtelinQ+ (naar Leiden). Warmtebedrijf Rotterdam en de aandeelhouders gemeente Rotterdam en provincie Zuid-Holland zijn verantwoordelijk voor de besluitvorming rondom de Leiding over Oost.

Gasunie wordt alleen netbeheerder van het hoofdtransportnet WarmtelinQ dat warmte transporteert van de Rotterdamse haven naar o.a. Den Haag en mogelijk ook naar Leiden.

In Nederland zijn verschillende warmtenetten operationeel, en technisch zijn ze haalbaar. Maar voor de hele energietransitie geldt dat er, naast allerlei technische veranderingen en oplossingen, ook samenwerking nodig is tussen veel verschillende partijen. Er moeten beslissingen worden genomen, investeringen gedaan en de oplossingen moeten maatschappelijk en lokaal geaccepteerd zijn. Al die zaken maken de ontwikkeling van warmtenetten tot ingewikkelde ondernemingen.

Bekijk alle 3 vragen in "Andere warmteprojecten"