Spring naar inhoud

PIP en vergunningen

Het tracé WarmtelinQ Vlaardingen–Den Haag is meer dan 23 kilometer lang  en loopt door zes gemeenten. Daarom is het efficiënter om de aanleg en de bescherming van de leiding te regelen in één Provinciaal InpassingsPlan (PIP) dan in zes aparte bestemmingsplannen (per gemeente). Dit maakt de procedure voor iedereen overzichtelijker en verkleint het risico op (procedure-)fouten. De zes gemeenten en het hoogheemraadschap worden inhoudelijk nauw betrokken bij de totstandkoming en vaststelling van het PIP. Voor het doortrekken van de leiding naar Leiden zal om dezelfde reden ook een Provinciaal InpassingsPlan worden opgesteld.

In het PIP wordt het definitieve tracé van de leidingen vastgelegd op een (digitale) kaart zodat de leidingen daarna kunnen worden aangelegd. In de toelichting van het PIP en in de begeleidende onderzoeken zal worden beschreven welke gevolgen het project heeft voor het milieu, de veiligheid en de natuur. Daarnaast zullen in het PIP regels worden opgenomen voor bepaalde activiteiten op de percelen vlakbij de leidingen, bijvoorbeeld het planten van diepwortelende beplanting of slaan van heipalen. Deze regels hebben ten doel te voorkomen dat de ondergrondse leidingen als gevolg van deze activiteiten beschadigd raken en er risico’s ontstaan.

Voor de realisatie van WarmtelinQ zijn vele tientallen verschillende vergunningen en ontheffingen nodig van onder andere de gemeenten, het hoogheemraadschap en de provincie. Deze bestuursorganen zijn het bevoegde gezag en zijn verantwoordelijk voor de besluiten op de ingediende aanvragen. Om dit ingewikkelde proces in goede banen te leiden, hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland in december 2019 besloten om voor WarmtelinQ Vlaardingen–Den Haag de provinciale coördinatieregeling toe te passen.

De Provinciale Coördinatieregeling is een regeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die provincies kunnen toepassen voor projecten die een provinciaal belang dienen en waarbij veel verschillende partijen betrokken zijn. Door het toepassen van de coördinatieregeling, worden de procedure voor de belangrijkste vergunningen en ontheffingen (en het PIP) ‘gecoördineerd’, dat wil zeggen: op elkaar afgestemd. Dat betekent dat deze zoveel mogelijk gelijktijdig worden voorbereid en bekendgemaakt en dat ook eventuele beroepsprocedures gelijk oplopen. Hierdoor wordt de procedure voor iedereen overzichtelijker en dat verkleint het risico op (procedure-)fouten. Overigens blijven de oorspronkelijke bevoegde gezagen verantwoordelijk voor de beoordeling van vergunningaanvragen. De provincie coördineert alleen de procedure. Het is verder niet verplicht om voor alle vergunningen de PCR toe te passen. Het kan dus voorkomen dat een specifieke vergunningaanvraag buiten de coördinatie wordt gehouden.

Op vergunningen die worden verleend via de PCR is altijd de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dat betekent dat na het indienen van de aanvraag en de eerste beoordeling daarvan door het bevoegd gezag een conceptbesluit wordt opgesteld. Dit conceptbesluit wordt (vanwege de PCR samen met het ontwerp-PIP en andere ontwerpbesluiten) gedurende zes weken ter inzage gelegd. In die periode kunnen er door iedereen reacties worden ingediend (die zienswijzen worden genoemd). De ontvangen zienswijzen worden door het bevoegd gezag betrokken bij de definitieve besluitvorming op de vergunningaanvraag. Zodra de definitieve besluiten zijn genomen, kunnen belanghebbenden die het daar niet mee eens zijn, gedurende zes weken in beroep gaan tegen het vastgestelde PIP en de verleende vergunningen. De rechter zal deze beroepen inhoudelijk beoordelen.

Meer informatie staat op de website van de provincie Zuid-Holland.