Spring naar inhoud

Duurzame warmte

Ja. De leiding van Vlaardingen naar Den Haag betekent een stap in de goede richting. Door de aanleg van WarmtelinQ is er geen gas meer nodig voor de verwarming van woningen. De woningen worden dan verwarmd met warmte die nu niet gebruikt kan worden. Hierdoor wordt gas bespaard en CO2-uitstoot vermeden. De Warmtealliantie Zuid-Holland, waarin verschillende organisaties samenwerken aan duurzame warmte voor Zuid-Holland, heeft uitgezocht dat een volledig regionaal warmtenetwerk zo’n 500.000 huishoudens en kassen in Zuid-Holland van warmte kan voorzien. WarmtelinQ maakt dan onderdeel uit van dat grotere warmtenet.

De warmte voor WarmtelinQ zal voornamelijk bestaan uit restwarmte van industrieën in de Rotterdamse haven. Het gaat om warmte die vrijkomt bij industriële processen en nu ongebruikt wordt geloosd. Door gebruik te maken van deze restwarmte, sparen we CO2 uit die nu in de Haagse energiecentrale en door individuele cv-ketels wordt uitgestoten. Op termijn kunnen er ook andere bronnen worden aangesloten, bijvoorbeeld aardwarmte en lokale geothermie.

De industriële processen waarbij warmte vrijkomt, draaien nu vaak nog op fossiele energie, zoals aardgas. Het Havenbedrijf Rotterdam, verschillende bedrijven en brancheorganisaties van industriële partijen hebben plannen gemaakt om die processen te vergroenen. Die plannen liggen onder meer vast in het Klimaatakkoord. Bepaalde processen worden wellicht helemaal vervangen door andere processen: in plaats van afvalverbranding komt er bijvoorbeeld wellicht meer recycling. Ook bij dat soort processen komt warmte vrij die kan worden ingezet. Zo verduurzaamt ook de geleverde restwarmte voortdurend.

Kolencentrales worden op termijn gesloten. Per 1 januari 2030 is het verboden om met kolen elektriciteit op te wekken. Ze worden daarom niet aangesloten op WarmtelinQ.

Binnen het EU Emissions Trading System (ETS) kunnen ETS-installaties ‘gratis rechten’ ontvangen voor het leveren van warmte naar installaties die niet onder het EU ETS vallen. Hieronder valt ook de levering van warmte voor stadsverwarming. Dit betekent echter niet dat bedrijven de prikkel wordt ontnomen om fossiele processen te verduurzamen. Het aantal rechten neemt namelijk periodiek af waardoor bedrijven worden gestimuleerd om te blijven investeren in de reductie van hun CO2-uitstoot.  Voor grote industriële bedrijven die onder het EU ETS vallen is de nationale CO2-heffing van kracht. Die geldt ook bij de levering van industriële restwarmte. Hierdoor worden bedrijven geprikkeld om te investeren in CO2-reducerende maatregelen.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de industrie in 2050 (vrijwel) CO2-neutraal moet zijn. Dat geldt ook voor bedrijven die restwarmte leveren. De industrie rondom de haven van Rotterdam zal dus ook een transitie doormaken en moeten overgaan op hernieuwbare energiebronnen. Het is dus niet zo dat restwarmtelevering door dergelijke bedrijven een vervuilende industrie langer in stand houdt of leidt tot een ongewenste lock-in.

Door zoveel mogelijk beschikbare restwarmte slim te benutten kunnen we nu al gebruikmaken van energie die anders zou worden verspild. Ook bij de productie van groene waterstof in de Rotterdamse haven zal een aanzienlijke hoeveelheid warmte beschikbaar komen die kan worden gebruikt voor de duurzame verwarming van de gebouwde omgeving. Om de doelstelling op termijn te halen, zijn alle duurzame warmtebronnen nodig: de inzet van restwarmte (uit Rotterdamse haven) zit andere duurzame bronnen niet in de weg. De Europese richtlijn (RED: renewable energy directive) ziet restwarmte (daar aangeduid als afvalwarmte) ook als een warmtebron voor duurzame warmtenetten. In artikel 23 is een specifiek nationale doelstelling van 1,1% restwarmte benutting vastgesteld.  

In de huidige versie van het wetsvoorstel Wet collectieve warmtevoorziening is een jaarlijkse CO2-norm opgenomen voor warmtebedrijven: voor 2030 is die maximaal 25 kilogram CO2 per gigajoule geleverde warmte. De ACM controleert dat. Ook restwarmte zoals gedefinieerd in het wetsvoorstel kan worden ingezet om deze CO2-norm te halen. Het is daarbij van belang dat het gaat om warmte als ‘onvermijdelijk bijproduct’ in de bedrijfsvoering van een onderneming, die zonder verbinding met een warmtenet ongebruikt terecht zou komen in lucht of water. Als er extra brandstof gebruikt wordt met als doel warmte voor het warmtenet op te wekken, geldt dat het niet als restwarmte zoals bedoeld in het wetsvoorstel.